Landstorm Zelhem
Oprichting B.V.L.

Oprichting B.V.L.

Handel Duitse geweren

Er was wel een wapenstilstand in het najaar van 1918, maar er was nog geen rust en vrede. Duitsland had Nederland om toestemming gevraagd om alle manschappen terug te trekken over Nederlands grondgebied. Dit gebeurde bij het smalste stukje in Limburg; Maaseik- Susteren. Het duurde niet lang of de Duitse geweren, munitie en pistolen lagen hier voor het grijpen. En zo ontstond er een enorme handel in Duitse geweren, munitie en pistolen. De Nederlandse regering was bang dat hiermee een nieuwe revolutiepoging gedaan zou kunnen worden, want de socialisten en communisten spraken nog steeds over een revolutie.

De Landstorm, burgerwacht en de confessionele vakbeweging (soort van C.N.V.) bleken dé manier te zijn om te zorgen dat Nederland een democratie bleef. Op deze manier kon ook het fascisme klein gehouden worden.

Spontaniteit vrijwilligers

Omdat het gevaar van een revolutie bleef bestaan, en de enorme spontaniteit van de vrijwillige soldaten zo groot was, wilden ze een blijvende militaire afweerorganisatie. In januari 1915 had het leger 28 afdelingen met 2000 man. op 1 januari 1917 waren er al 7424 vrijwilligers verdeeld over 70 afdelingen, de Koninklijke Weerbaarheidsvereniging en het Landstormkorps Vaar- en Voerwezen.

Bijzondere Vrijwillige Landstorm noodzakelijk

In november 1918 had Colijn de regering gezegd dat een Bijzondere Vrijwillige Landstorm noodzakelijk zou zijn. De huidige Vrijwillige Landstorm moest dan door de minister van oorlog worden veranderd, zodat er soldaten en Landweerplichtigen met verlof zouden kunnen worden toegelaten. Colijn wilde ook uitbreiding van burgerwachten in het hele land.

Oprichting Bijzondere Vrijwillige Landstorm

Generaal Duymaer van Twist had al jaren ideeën over een Landstorm. Hij gooide bij collega’s het onderwerp ‘in de groep’ en ze vonden het een goed idee. Vervolgens ging hij samen met majoor E.F. Insinger (later commandant veldleger) naar de minister van oorlog. Hierna kwam er overleg met Colijn, De Savornin Lohman, oud minister Kolkman en Dresselhuys erbij. Er werd gekeken of een organisatie met bijzondere vrijwilligers juridisch en staatsrechtelijk wel kon. Staatsrechtkenner De Savornin Loman zei dat het oké was. Daarna gingen ze verder de plannen uitwerken.

Propagandalezingen

Met Pasen in 1919 waren 3 belangrijke Kamerleden en hun medewerkers bezig om door het hele land te reizen om mensen warm te maken voor de nieuwe Landstorm. Dat waren Duymaer van Twist, Deckers en Snoeck Henkemans. Overal verschenen advertenties in de kranten om mensen op te roepen naar voorlichtingsavonden te komen. Hieronder een voorbeeld hiervan in Dinxperlo.

Bron: Delpher, Graafschapbode 19-12-1919

Bron: Delpher, Graafschapbode 16-01-1920

De toenmalige inspecteur van de Vrijwillige Landstorm was kolonel Fabius.

Ontwerpen militaire organisatie

Fabius kreeg van de minister van Oorlog op 27 november 1918 de opdracht om een militaire organisatie te ontwerpen en vernieuwen op grond van legerorder 15 november 1918 B, no.366. De aanhef was: ‘Voor gewezen militairen bestaat gelegenheid zich aan te melden bij de Vrijwillige Landstorm. Dienstplichtigen van de militie, de landweer en de Landstorm die verlof hebben kunnen ‘onder de wapenen komen’ bij de Vrijwillige Landstorm zonder een verbintenis aan te gaan.’.

Kolonel G.C.A. Fabius

voldoende vrijwilligers nodig

De betrokken landstormcommandant bepaalde dan welke vrijwilligers hij aan nam. De minister van oorlog gaf kolonel Fabius ook de opdracht om ervoor te zorgen dat er voldoende ‘buitengewone’ (ze werden later ‘bijzondere’ genoemd) vrijwilligers zouden komen. Een aantal reserveofficieren en Landstormofficieren werden hiervoor (met hun eigen toestemming) ‘onder de wapenen gehouden.’ Zij bleven hiervoor dus extra lang in dienst. En toen was de Bijzondere Vrijwillige Landstorm gesticht. Het was toen 22 mei 1919.

In Friesland en Groningen werden snel maatregelen genomen om de vrijwilligers die zich in november gemeld hadden, bij elkaar te houden.

Limburgse vrijwilligers

De vrijwilligers die zich in Limburg in november gemeld hadden, gaven aan om zich weer in te willen zetten. Ze waren altijd heel erg fanatiek in Limburg. Geen dorp of gehucht vergaten ze hier met hun wervingsacties.

In Limburg werden plaatselijke commissies samengesteld en ook leiders, afdelingscommandanten en instructeurs werden benoemd. Maar in andere provincies ging het leden werven anders. De echte kern van de B.V.L. was er dus al in 1919. En ze konden ook rekenen op de vrijwilligers van de bestaande landstormkorpsen uit de novemberdagen.

Burgemeesters, pastoors en dominees, de pers, sociale organisaties, verlofs-officieren, leraren, kortom iedereen werkte mee. In Limburg waren de mensen fanatieker omdat ze aan beide kanten door een ander land ingesloten zitten. Aan de ene kant Duitsland en aan de andere kant België. Hier waren de afdelingen dus heel groot.

Langs grenzen Achterhoek

Maar ook langs de grenzen in de Achterhoek valt op dat de B.V.L. afdelingen erg groot waren en al vanaf het prille begin opgericht zijn. Zo gaat het b.v. over Winterswijk, Aalten en Dinxperlo. Maar ook in Doesburg was een grote afdeling. Hier zat natuurlijk ook al een kazerne, maar via de IJssel zouden de Duitsers zo Doesburg binnen kunnen komen.

Verbanden

Kolonel Fabius moest de organisatie van de bijzondere vrijwilligers regelen. Hij was een kundige officier met een enorm organisatietalent. In februari ging hij het land verdelen in provinciale, korps- en gewestelijke verbanden. Op de locaties waar al afdelingen waren met vrijwilligers, werd gezorgd voor ‘bijzondere vrijwilligers’. De nog niet gewapende vrijwilligers kregen geweren en patronen. Deze spullen werden op een centrale plek neergelegd en werden bewaakt door vrijwilligers die elkaar steeds aflosten.

Niet negatief

Afgesproken werd dat men zich niet negatief uit mocht laten over andere organisaties die gezag hebben zoals de politie of burgerwachten. Er moest een eenheid gevormd worden. Fabius verwees hiermee naar de vrijwillige burgerwachten die niet bewapend waren.

Volgens kolonel was de taak van een vrijwilliger het volgende: ‘ verzamel je – in uniform gekleed – als je merkt dat de regering je nodig heeft. Als je in een grote groep bent, ben je sterk ook al heb je geen geweer en patronen. Ga in groepen naar de plaats waar de geweren en patronen liggen. (…) Duld geen overrompeling van een kleine minderheid revolutionairen’. (Bron: ‘Als ’t moet. J.C. van der Does. blz.165)

In februari 1919 waren er al meer dan 20.000 vrijwilligers. Als ze opgeroepen werden, konden officieren en onderofficieren loon krijgen.

Centrale leiding: De Nationale Landstorm Commissie

In het begin was er een centrale leiding om het organisatie eerst goed op poten te zetten en genoeg nieuwe leden te krijgen. De ledenwerving en de propaganda (reclame) moest op lokaal gaan gebeuren. Alles moest passend zijn bij de mensen uit die streek. En hier hadden ze ook de invloed van leidinggevende mensen uit de burgermaatschappij voor nodig. Bijvoorbeeld burgemeesters en leraren.

Versnippering

Na een tijdje ontstond er een versnippering van de krachten. Het deel dat niet militair was moest dus centraal worden geleid. Daarom werd er een Nationale Landstorm Commissie opgericht op 3 mei 1919. De erevoorzitter werd H. Colijn en de voorzitter de heer L.F. Duymaer van Twist. De minister van oorlog was toen Alting von Geusau, en andere leden van de commissie waren P. A. Diepenhorst, J.R. Snoeck Henkemans, A.G.A. Ridder van Rappard, dr. L.N. Deckers en natuurlijk G.C.A. Fabius.

Lid van de Tweede Kamer. Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Lid van de Tweede Kamer. Bron; ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Oprichting Nationale Landstorm Commissie

Op 7 mei 1919 vergaderde de Commissie voor het eerst. Volgens de minister van oorlog was het doel van de commissie ‘de toetreding tot de Vrijwillige Landstorm van zogenaamde bijzondere vrijwilligers te helpen bevorderen.’

Colijn was de erevoorzitter omdat hij door zijn Militiewet van 1912 van grote betekenis is geweest voor het houden van onze neutraliteit in de Eerste Wereld Oorlog.

Duymaer van Twist had een belangrijke functie, omdat hij de B.V.L. in 1918 opgericht heeft. Professor Diepenhorst was te druk met andere bezigheden, dus stopte in 1924 met zijn functie, maar hij werd niet vervangen.

Bron; ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Het lid met de meeste invloed – naast de voorzitter – was Deckers. Hij was erg toegewijd. Op veel landdagen en vergaderingen hield hij een toespraak. Hij heeft in de roerige novembermaand Brabanders aangespoord om vrijwillig naar de Nederlandse steden te gaan waar veel onrust was. In 1929 trad Deckers tijdelijk af omdat hij minister van defensie werd.

Bron; ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

De Commissie heeft weinig vergaderingen gehouden, maar dat was ook niet nodig omdat ze elkaar dagelijks in de Tweede Kamer spraken.

Inkomsten:

Privé fondsen

Er was veel geld nodig voor al die reclame voor de B.V.L. De heer Duymaer van Twist haalde het geld hiervoor uit privé fondsen van mensen. Dat waren meestal zakenlui. Later kwam het geld van het ministerie van oorlog. Er kon 114.000 gulden besteed worden aan de reclame van de B.V.L.

Dit geld kreeg de inspecteur van de Vrijwillige Landstorm. Hij gaf op zijn beurt dan weer een deel van het geld aan de commandanten. Als de commandanten en de gewestelijke commissies nog geld te weinig hadden, dan vulde Duymaer van Twist dit aan met geld dat was geschonken door zakenlieden.

Geld van ministerie van binnenlandse zaken

Op 1 januari 1921 ging het ministerie van binnenlandse zaken het geld voor de reclame geven. En in 1923 namen ze ook de militaire kosten van de B.V.L over. De B.V.L. was voor de binnenlandse veiligheid, dus viel het vanaf nu onder binnenlandse zaken. Bovendien moest er bezuinigd worden op het ministerie van oorlog. De minister van binnenlandse zaken moest nu betalen voor de B.V.L. en wilde daarom ook invloed hebben op de B.V.L.

Wie werden lid?

Mannen van heel verschillende leeftijden, rangen en standen meldden zich vrijwillig aan voor de B.V.L. Vaders en zoons lieten zich samen inschrijven.

Vader en zoons bij de B.V.L. Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Schietverenigingen

Veel schietverenigingen meldden zich in zijn geheel aan. In Zelhem werden er ook een aantal leden van de schietvereniging lid van de B.V.L. De schietvereniging in Zelhem is in 1925 opgericht en de B.V.L. in 1927.

Oud militairen

Mannen die vroeger in dienst geweest waren, kregen nu de gelegenheid om bij onrust in het land – vrijwillig – de overheid te helpen met het handhaven van de orde en rust.

Op 22 mei 1919 was de Bijzonder Vrijwillige Landstorm officieel een feit. Ze bestonden bij de oprichting uit 19 korpsen met als taak handhaving en herstel van de openbare orde en rust.

Buitengewone Vrijwilligers werd Bijzondere Vrijwilligers

De vrijwilligers werden ingedeeld bij bestaande Landstormkorpsen en werden ‘Buitengewone Vrijwilligers’ genoemd. Pas na aanpassing van legerorder no 110 in 1920 werden ze ‘Bijzondere Vrijwilligers’ genoemd. In 1935 was er een herziening van het Landstormbesluit, pas toen was de Bijzonder Vrijwillige Landstorm onafhankelijk van de andere Landstormkorpsen.

Op 20 februari 1920 werd Buitengewone Vrijwilligers: Bijzondere Vrijwilligers.

In het begin

Tekorten

Toen de eerste vrijwilligers zich aanmeldden was het nog flink behelpen, omdat er een tekort aan van alles was. Er waren amper uniformen en áls ze er waren was er veel verschil tussen de uniformen. Veel afdelingen moesten in burgerkleding oefenen omdat er geen uniformen waren. Ze moesten dan wel een oranje band om de arm dragen om herkenbaar te zijn. Wapens en munitie waren er niet of nauwelijks, en het aanvragen van spullen had geen nut. Want het was er niet. Maar er waren ook nog geen reglementen of voorschriften. Het enige dat overvloedig aanwezig was, was motivatie.

De oranje band als herkenningsteken.

Niet alle vrijwilligers hadden een uniform. Voor degenen zonder uniform was er een oranje armband die aan de linker bovenarm gedragen moest worden.

Benoemen inspecteur

Na een tijd kwamen er meer spullen. Er werd een uniform ingevoerd die hetzelfde was als van het leger. Soms was maar de helft van de mannen aanwezig om te oefenen voor de Landstorm. Het was niet verplicht dus gaven de meeste werkgevers de vrijwilligers van de B.V.L. geen vrij om naar de bijeenkomsten te gaan. Daarom werd er een Inspecteur van de Vrijwillige Landstorm benoemd. Toen werd het beter. Later werden er ook oefeningen gehouden die meerdere dagen duurden of drie weken duurden. Er werden vaandels gegeven om het ‘samen gevoel’ te versterken.

In het begin was het nog niet zoveel…..
Bron: ‘Als ’t moet’, J. C. van der Does.

Kaderopleidingen

Hierna kwamen er kaderopleidingen voor de vrijwilligers. Er kwamen ook eisen van kundigheid bij kijken. Veel studenten en leerlingen van middelbare scholen en Pabo’s kwamen op de B.V.L. af. Door betere opleidingen en een strakkere organisatie ging het niveau van de vrijwilligers flink omhoog. De oefeningen gebeurden op steeds grotere schaal. Hier werden de paas -, zomer- en kerstvakanties voor gebruikt. De mensen vonden dit toen echt een ‘uitje’.

Er werden geen oefeningen met Buitengewone Vrijwilligers gehouden. Deze oefeningen waren alleen bij de Vrijwillige Landstorm.

De mannen sloten een verbintenis als ze bij de B.V.L. kwamen, dat is een militair contract. De Bijzondere Vrijwilligers behoorden na 28 februari 1922 niet meer tot de Vrijwillige Landstorm, maar behoorden tot een eigen legerkorps.

Noodgedwongen reorganisatie B.V.L.

In 1925 was er weer een reorganisatie binnen de B.V.L., en wel vanwege het volgende: “Een gedeelte van de personen die zich bereid hadden verklaard de regering in tijden van onrust te steunen, stonden onterecht geregistreerd als vrijwilliger. Artikel 35 sprak namelijk uitdrukkelijk van dienstplichtigen. De dienstplicht eindigde echter voor officieren en onderofficieren op 1 oktober van het jaar dat zij 45 werden. Bij de overige dienstplichtigen was deze leeftijd op 40 jaar gesteld.

Zo’n 10.000 man stonden als vrijwilliger te boek die een leeftijd boven de dienstplichtige leeftijd hadden. Dit kon aanleiding geven tot ernstige moeilijkheden. Indien deze personen in werkelijke dienst kwamen, zouden zij mogelijk onbevoegd gewapenderhand optreden en derhalve in conflict met de strafwet komen.

Van de zijde van de B.V.L. en de Nationale Landstormcommissie werd er op aangedrongen om deze mensen niet verloren te laten gaan. De minister kwam aan deze wens tegemoet in de Ministeriële Beschikking d.d. 17 januari 1927 nr. 81 inhoudende onder meer een aanvulling op paragraaf 6 van de Vrijwillige Landstormbeschikking.

Hierin werd geregeld dat gewezen dienst- en reserve plichtigen, die een speciale bereidverklaring hadden afgelegd, een verbintenis konden aangaan bij de staf van de Vrijwillige Landstorm met bestemming voor gewapende dienst uitsluitend voor handhaving of herstel van de openbare orde en rust.

Tweede ban

Deze verbintenissen bleven bestaan tot 1 oktober van het vijftigste jaar van de vrijwilliger. Deze categorie personen noemde men de tweede ban van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Deze vrijwilligers uit de 2e ban verklaarden zich bereid om bij een eventuele legermobilisatie ten hoogste 10 dagen onder de wapenen te komen tot het verrichten van bewakingsdienst in die belangrijke centra welke beschermend moesten worden tegen sabotage en oproer.

Bron: Handleiding B.V.L. door secretaris G. F. Boulogne in 1937.

Erenaam

“Ofschoon de leden van de B.V.L. niet meer tot de Vrijwillige Landstorm behoorden en in feite alleen bestonden als ze gemobiliseerd waren, werd door hen de naam van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm altijd vastgehouden. Het was volgens hen een soort erenaam.” (Bron: De Bijzondere Vrijwillige Landstorm van H. Tomas)

Opheffen Vooroefeningsinstituut

In 1935 is het Vooroefeningsinstituut van de Landstorm opgeheven. Dat waren de jonge jongens die korting op hun diensttijd konden krijgen. In eerste instantie was dit verlof (korting op de diensttijd) 2 maanden, maar later werd dit 4 maanden of een diensttijd van 6 maanden.

Botsingen voorkomen

De mannen van de B.V.L. hoefden niet te komen bij stakingen die te maken hadden met te lage lonen. Dit was om botsingen tussen bevolkingsgroepen te voorkomen.

Door de enorme toeloop waren er na een paar jaar al 19 nieuwe korpsen en verbanden. In 1937 waren er 1305 plaatselijke afdelingen, dus in bijna alle gemeenten in Nederland was wel een afdeling.

Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

 Overzicht belangrijke data

1910 Oprichting Landweerwet. De schutterij werd opgeheven.

1912 Oprichting verplichte Militiewet van Colijn.

1913 Landstomwet; de verplichte Landstorm kwam.

4 augustus 1914 Vrijwillige Landstorm opgericht; na 2 dagen de 1e eenheid.

13 november 1918; eerste gesprekken over een Landstorm.

22 mei 1919 de Bijzondere Vrijwillige Landstorm is officieel.

3 mei 1919 oprichten van een leidinggevend orgaan voor de B.V.L.: De Nationale Landstorm Commissie.

1935 werd de B.V.L. helemaal zelfstandig.

Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Hoe Colijn dacht over de Vrijwillige Landstorm :

Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.