Landstorm Zelhem
Blijvende onrust in Nederland

Blijvende onrust in Nederland

Blijvende onrust in NL

Onrust door honger en socialisme

Inflatie

Al snel nadat WOI begonnen was, ging het een stuk slechter in Nederland. Mensen meenden dat het papiergeld hun waarde ging verliezen dus gingen ze massaal naar de bank om het om te wisselen voor muntgeld. Zo ontstonden er lange rijen bij de banken. De regering greep in en het uitvoeren van goud werd verboden en de bank hield alle gouden munten zelf vast. Zo moesten de mensen wel met papiergeld betalen. Sommige gemeentes hadden bonnen laten drukken. Van 1 gulden, 50 cent en 10 cent. Deze bonnen konden alleen in die gemeente gebruikt worden. Zo werd de handel tussen andere plaatsen onmogelijk.

Hamsteren

Als gevolg hiervan werden de winkels bestormd voor koffie, thee, rijst, specerijen en textiel. En hierna begonnen de mensen te hamsteren, dus deden de winkels de prijzen omhoog. Als gevolg hiervan bepaalde de regering dat er maximale prijzen op de producten kwamen. Hierdoor hadden de rijken grote voorraden en de arme mensen hadden niets.

Bonkaarten

De volgende stap was dat de spullen op rantsoen kwamen, en daarna kwam de distributie. De regering kocht spullen op en leverde die aan de winkels. Het volk kreeg dan 1 keer maand bonkaarten. Met die bonkaarten konden ze dan wat kopen in de winkels. De mensen vonden dit echt verschrikkelijk. Door deze distributie had je enorm veel ambtenaren nodig, en velen hadden er niet veel verstand van. Hierdoor ging er heel veel mis en werden de mensen steeds geïrriteerder. De toevoer van spullen was bijna altijd niet genoeg.

De ‘aardappelschuit’

In de zomer van 1917 waren er overal hongeroproertjes in Amsterdam. De oude aardappels waren op en er waren nog geen nieuwe. Toen werd er door mensen een aanval gedaan op de ‘aardappelschuit’. Deze aanval lukte en hierna begonnen de georganiseerde plundertochten op winkels met levensmiddelen. De politie kon dit alleen niet aan en dus werden er ook militairen ingezet. Hieronder zie je een foto van de hongerrellen in Amsterdam in 1914.

Bron: “Als ’t moet’. J.C. van der Does.

Geleidelijke demobilisatie

Op 10 november 1918 was de geleidelijke demobilisatie, dus een deel van de soldaten mocht naar huis. Door deze demobilisatie waren er overal relletjes en plunderingen van winkels. Met als gevolg dat de middenstanders in de steden hun etalages dichtspijkerden. En ineens waren er heel erg veel vrouwen, die van een paar schoenen, maar 1 schoen had. De andere stond nog in de winkel in de etalage…..

Limburg

Een groot aantal mensen in Limburg wilden een revolutie. Dit was de invloed van de gebeurtenissen in Duitsland. Daarom begonnen sommige priesters al burgerwachten op te richten in Limburg. O.a. hoofdaalmoezenier H. A. Poels uit Heerlen. De socialisten in Limburg hadden een afwachtende houding. Ze wilden eerst zien wat ze in Den Haag zouden gaan doen. De socialisten wilden heel graag de mijnen in Limburg in handen zien te krijgen.

Poels

De broer van hoofdaalmoezenier H. A. Poels zat in de Tweede Kamer. Hij heette J. Poels. Hij schreef in een telegram naar Troelstra dat wanneer de staatsgreep door zou gaan, Limburg zich af zou gaan scheiden van de rest Nederland. De rest van zijn leven werd hij door de socialisten voor landverrader uitgemaakt, waar hij overigens erg verdrietig over was.

Hieronder zie je een foto uit de tijd van de revolutie in november 1918 toen er ook rellen in de winkelstraten waren.

Bron: ‘Als ’t moet’. J. C. van der Does.

Inzet B.V.L.

Verschillende keren is de B.V.L. ingezet in Nederland, maar hier in de Achterhoek verder niet. Behalve dan die keer in ’s Heerenberg dat het in Duitsland onrustig was, en tijdens een watersnoodramp bij Lobith. Maar toen was er geen sprake van binnenlandse onrust, maar buitenlandse onrust. Maar dit is terug te vinden op de pagina: B.V.L. in actie. Hieronder staat een foto van de mannen in ‘s-Heerenberg.

Foto’s uit het boek ‘Als het moet’ van J.C. van der Does.

Oostenrijkse kinderen

Er was veel honger in heel Europa als gevolg van WOI. Vooral met de kinderen in Duitsland en Oostenrijk ging het niet goed. Ze dreigden om te komen in de enorme chaos die was ontstaan en daarom werden ze in Nederlandse gezinnen opgenomen en een aantal jaren liefdevol verzorgd. De schrijvers van ‘Als ’t moet’, vragen zich af; ‘Zaten zij mogelijk als robuuste jonge kerels op de pantserwagen, die in 1940 ons land binnen stormden?’ (bron: ‘Als ’t moet’. Van van der Does. blz. 228)

Spoorwegstaking 1922

In andere delen van het land is de B.V.L. ingezet bij andere zaken. In 1922 was er een landelijke spoorwegstaking waarbij er onrust in Friesland en Drenthe was. Ze waren bang dat de revolutionairen hier misbruik van zouden maken en onrust zouden gaan stoken. Iedere keer als er onrust was in Nederland, dan gingen daar socialistische leiders heen om te kijken of ze misschien nog wel weer een revolutie konden veroorzaken. Dus wilde de overheid graag de B.V.L. inschakelen om alles rustig te houden.

Stakers kennen woord staken niet

Maar omdat er een afspraak was met de B.V.L. dat ze niet bij stakingen gevraagd mochten worden, is er besloten om de Landstorm zelf te vragen of ze er problemen mee zouden hebben als ze bij deze staking gemobiliseerd zouden worden. Deze twee bladzijden zie je onderaan de pagina.

De uitkomst was dat er bij de wet verboden was om te staken bij bepaalde beroepen/organisaties. En dat was bij de spoorwegen ook zo. Een staking zou niet volgens de wet zijn, dus de B.V.L. was bereid om er heen te gaan.

Omdat de actievoerders ineens terug begonnen te trekken ( een leidinggevende figuur van deze stakers zou ineens het woord ‘staken’ niet gekend hebben, hij had het toch niet helemaal goed begrepen) heeft de B.V.L. hier niet voor uit hoeven rukken.

Rode demonstraties

Rond 1928 waren de partijen de S.D.A.P. en de N.V.V (socialisen en communisten) nog steeds revolutonair van karakter. Ze organiseerden grote rode (communistische) massademonstraties. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen liepen dan bijvoorbeeld in Den Haag met rode vlaggen en spandoeken. Volgens de politie waren er tussen de 70.000 en 90.000 mensen aan het demonstreren. Deze demonstraties waren om de regering en het volk te intimideren. Zolang deze demonstraties er waren, was het nodig dat de B.V.L. bleef bestaan.

Muiterij op schip’De Zeven Provinciën’

In de tijd dat Hitler al macht begon te krijgen in Duitsland, kregen ineens heel veel geleerde mensen een beetje communistisch trekjes. En hierdoor kwamen er weer meer demonstraties op straat enz. Het was in 1933 dus nog steeds niet de tijd voor het opheffen van de B.V.L. Integendeel: De B.V.L. kreeg een nieuwe opdracht begin 1933. Het verzoek was op vrijwilligers van de tweede ban van de B.V.L. een afzonderlijk korps te vormen. Hierbij zouden de vrijwilligers ten hoogste 10 dagen onder de wapenen komen, voor bewaking in belangrijke centra om deze te beschermen tegen sabotage en oproer. Dit was, omdat de regering van verschillende revolutionaire kanten geluiden hoorden om mobilisatie van het leger d.m.v. rellen te willen verstoren. En de eerst volgende rel kwam al snel.

Beroepsopruier

Er kwam namelijk muiterij op een schip van de Marine: de Hare Majesteit De Zeven Provinciën. De partijen de S.D.A.P en de N.V.V. trokken partij voor de muiterij met een groots opgezette campagne (het revolutionaire bloed kruipt waar het gaan kan.) Colijn zei: ‘Aan deze schande moet een einde komen, al zou het schip in de grond worden geboord’. Albarda van de N.V.V. zei van zichzelf dat hij een ‘beroepsopruier’ was en hij ging stoken onder de matrozen in Den Helder. Hij vond dat de regering schuld had aan de muiterij en dus maar met de muiters moesten gaan onderhandelen.

Bom op schip

Colijn zei hierop: ‘Gij zijt in staat op deze verdwaasden invloed uit te oefenen en te zorgen, dat zijn hun verzet opgeven’. Iedereen zweeg. Ook Albarda. Vervolgens heeft de minister van defensie dhr. Deckers een bom op het schip laten gooien. Einde muiterij…..En na deze explosie zei dhr Albarda ineens: “Geen regering, welke zij ook zijn mag, kan muiterij gedogen’. Er waren 23 doden…..(Bron: ‘Als ’t moet. J.C. van der Does blz. 252.)

N.S.B tegenwicht communisme en socialisme

De meeste Nederlanders waren niet zo erg bezig met wat er allemaal in Duitsland gebeurde. De meeste mensen waren bezig met hun dagelijkse strijd om brood en maakten zich zorgen over de werkloosheid en de crisis. Veel mensen kozen na de opstand op de Zeven Provinciën voor een nieuwe politieke partij, bijv. Nationaal Herstel of de N.S.B. Velen zagen in het begin de N.S.B. als tegenwicht van het communisme en het socialisme.

N.S.B. verboden door fascisme

In het begin waren er enige honderden officieren en onderofficieren lid van de N.S.B. Maar toen de N.S.B. fascistische trekjes kreeg werd dit in 1933 verboden. Mensen konden ook in het geheim lid worden van de N.S.B, maar bij de B.V.L. werkte dit niet omdat iedereen in het dorp dat meteen zou weten.

Vanaf nu kwamen er maatregelen. Ambtenaren van defensie mochten geen lid zijn van sociaal-democratische partijen en verenigingen; de altijd opstandige militaire personeelsbonden werden ingekort, enz. Maar ook de onrustige situatie in Duitsland zorgde voor deze maatregelen.

Socialisten en communisten tegen B.V.L.

De sociaal-democratische partij in Nederland vroeg zich af of ze nog wel goed bezig waren. Toen ze zag hoe Hitler in Duitsland met zijn N.S.D.A.P. bezig was, besloten ze om in 1933 van koers te veranderen. Vanaf dat moment waren ze ook niet meer bezig om de B.V.L. te laten verdwijnen. Want daar waren ze in het verleden druk mee bezig. Maar de communisten in de Tweede Kamer waren hier nog meer mee bezig. Bij alle gelegenheden gingen de socialisten en zeker de communisten tekeer tegen de B.V.L. Zeker ook als de begroting van oorlog en binnenlandse zaken behandeld werd.

‘Van de vrijwilligers kon niet verwacht worden dat zij de kosten van schietoefeningen, schietterreinen, patronen, geweren enz. zelf betaalden. Deze kostenpost was een doorn in het oog van alle communisten, van socialisten en een deel van de vrijzinnig-democraten. ‘( Bron; ‘Als ’t moet. J.C. van der Does. blz. 255).

Wetswijzigingen voor afschaffen B.V.L.

In 1936 diende Alberda (S.D.A.P) een wetswijziging in: De regering zou voor het oproepen van de B.V.L. toestemming van de Staten-Generaal moeten hebben. De minister gaf als antwoord hierop dat wanneer er een wettige regering is, die altijd aanspraak moet kunnen maken op de vrijwilligers van de Landstorm. De kamer verwierp het amendement.

In 1932 had Albarda ook al een wetsvoorstel ingediend om de Bijzondere Vrijwillige Landstorm af te schaffen. In 1937 trok hij het wetsvoorstel weer in. En in februari 1937 besliste de S.D.A.P. dat ze in het vervolg mee wilden werken aan onze nationale defensie. De nationale ontwapening werd van het programma af gehaald.

B.V.L. mogelijk nodig

In 1936 was er de mogelijkheid dat Colijn onverwachts een beroep zou moeten doen op de B.V.L. In november 1936 zei de minister van oorlog dat Colijn en de inspecteur van de Landstorm moesten komen op het ministerie.

De regering had signalen gekregen dat er ergens moeilijkheden waren. Ze dachten erover om de hulp van de B.V.L. in te roepen. Colijn vroeg:’ Generaal, wat kunt u mij met uw Bijzondere Landstorm bieden?’ Het antwoord: ‘ Als de regering in de vroege morgen het bevel tot mobilisatie van de B.V.L. geeft, dan staan aan de avond van diezelfde dag ongeveer 15.000 vrijwilligers, goed geëncadreerd (in kaders verdeeld), gewapend en uitgerust gereed om in te grijpen. Op de avond van de tweede dag komen er nog plusminus 25.000 vrijwilligers bij, terwijl de gehele mobilisatie in vier dagen is voltooid’. (Bron ‘Als ’t moet. J.C. van der Does. blz. 275.)

De volgende ochtend moest de inspecteur terug komen bij de minister. Gelukkig was de mobilisatie niet nodig. Zelf heb ik geen flauw idee waar ze de inzet van de B.V.L. voor nodig gehad zouden hebben.

Noodhulporganisatie

Er werd een noodhulporganisatie opgezet door de regering om deze bij stakingen in te zetten. De Nationale Landstorm Commissie heeft deze organisatie opgericht. De mannen van de B.V.L. mochten namelijk niet bij stakingen vanwege geld ingezet worden.

Er kwam nu een organisatie van burgers met het doel om mensen te verenigen die de regering wilden steunen bij stakingen die revolutionair van aard waren. Het ging dus alleen om staatsbedrijven zoals de spoorwegen, de P.T.T., kolenmijnen, voedselvoorziening en transportdiensten. Ook deze organisatie stond helemaal los van de B.V.L.

Enorme groei

In de vervelende crisisjaren met malaise en werkloosheid (1930-1940) groeide vreemd genoeg het aantal vrijwilligers elk jaar enorm tot bijna 100.000!

Foto’s uit het boek ‘Als het moet’ van J.C. van der Does . Over de spoorwegstaking van 1922.

In actie komen

Stel dat een vrijwillige soldaat opgeroepen werd om in actie te komen, dan waren er wel dingen geregeld. De mannen vielen natuurlijk onder het leger.

Zakboekje

Dus hadden ze ook een zakboekje of veldzakboekje. Dat hadden alle gewone soldaten en Vrijwillige Landstormers ook. Dit boekje moest altijd bij je gehouden worden. Als je ergens gewond of dood gevonden werd, kon iemand er informatie in schrijven. Bijvoorbeeld wáár je gewond gevonden was, of waar je overleden was. Dit zakboekje moest dan naar het Rode Kruis gestuurd worden en die lichtte dan de familie in. In het boekje kon de overlijdensdatum, de doodsoorzaak of de begraafplaats opgeschreven worden.

Loon

Als je opgeroepen zou worden, zou je hier ook loon voor krijgen. Dat was vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 28 april 1919. Hieronder staan de toeslagen per dag:

  • Officieren                   6 gulden
  • Onderofficieren      4 gulden
  • Korporaals                 4 gulden
  • Manschappen            4 gulden

Deze bedragen veranderden iedere keer natuurlijk. Bij het oprichten van de organisatie van de B.V.L. zijn bepaalde bedragen vast gesteld. Bij de oprichting waren de regels als volgt: als je opgeroepen werd kregen de officieren en onderofficieren en andere rangen hun loon vermeerderd met 6 gulden en 2 gulden toelage per dag.

Ook konden er kostwinnersvergoedingen uitgekeerd worden. Bij ongevallen of overlijden tijdens het werk, gelden dezelfde regels als bij het leger.

In het handleidingsboekje staan ook nog andere bedragen voor als je in actie moest komen. Als je erbij zou komen te overlijden, dan kreeg de achterblijvende familie 1000,- gulden.

Bron: B.J. Dierink.

Kostwinnersvergoeding

In 1918 werd er een kostwinnersvergoeding geregeld als je bij de Vrijwillige Landstorm was. Nu konden ook getrouwde mannen die een vrouw en kinderen hadden, bij de Landstorm komen. Er kwamen veel nieuwe leden.

bron: ‘Als ’t moet. J.C. van der Does.